Hoofdstuk 1 (A2) – Module 4

4.1 . Los pronombres demostrativos – de aanwijzende voornaamwoorden

 

Een aanwijzende voornaamwoord wordt gebruikt om te verwijzen naar een persoon of voorwerp en aan te geven hoe ver dit van de spreker ligt.

 

In het Nederlands hebben we de volgende aanwijzende voornaamwoorden:

 

 

 

 

In het Spaans hebben we meer:

 

 

 

 

Hierbij een paar voorbeeld zinnen:

 

–       ¿Qué es eso? – Wat is dat?

 

–       ¿Quién es ese chico? – Wie is die jongen?

 

–       Este es Juan y ese es Pedro – Dit y Juan en dat is Pedro

 

–       Estas son mis llaves – Deze zijn mijn sleutels

 

–       Aquellos edificios son antiguos – Die gebouwen son antiek

 

 

 

 

4.2 . Tener que + infinitivo – moeten + infinitief / het hele werkwoord

 

Deze constructie gebruiken we om aan te geven iets wat moet gebeuren. Niet doordat het wettelijk verplicht is maar doordat het anders gevolgen zou kunnen hebben.

In het schema hieronder laten we zien hoe je het werkwoord tener vervoegt in de tegenwoordige tijd. Tener is onregelmatig, hierdoor gaan we de stam in het zwart laten zien, de onregelmatigheden in het groen en in het rood de uitgangen:

 

 

Om aan te geven wat er moet gebeuren gebruiken we het werkwoord tener + het voorzetsel que + het hele werkwoord. Net als in het Nederlands vervoegen we het 2e werkwoord niet en gebruiken wij gewoon de infinitief. Hierbij een paar voorbeeld zinnen:

 

• Tengo que trabajar mañana – Ik moet morgen werken.

 

• Tienes je hacer los deberes – Je moet jouw huiswerk maken.

 

• Él tiene que esforzarse más – Hij moet meer streven.

 

• Nosotras tenemos que pagar el alquiler – Wij moeten de huur betalen.

 

• Vosotros tenéis que tomar el tren de las seis – Jullie moeten de trein van zes uur nemen.

 

• Ustedes tienen que enseñar sus pasaportes en la aduana – U (meervoud) moeten uw passporten bij de douane laten zien.