Hoofstuk 1 (A2) – Module 3

3.1. El verbo querer – Het werkwoord willen/ houden van

 

Het werkwoord querer is een ingewikkelde werkwoord in het Spaans. Om te starten is dit werkwoord onregelmatig in de meeste tijden.
We gaan hieronder querer vervoegen in de tegenwoordige tijd voor de herhaling. In het zwart staat de stam van het werkwoord, in het rood de uitgangen en in het groen de onregelmatigheden.

 

 

Zoals we in het schema kunnen zien, krijgt het werkwoord querer in de tegenwoordige tijd een extra i in de stam in
alle vormen behalve wij en jullie. Dit doordat het mooier klinkt, overkomt ook in andere onregelmatige werkwoorden in
het Spaans zoals tener of preferir. Dat gaan we zien in andere lessen.

 

 

 3.1.1. Los usos del verbo querer – het gebruik van het werkwoord willen/ houden van.

 

We kunnen het werkwoord querer letterlijk gebruiken.

 

a . Om aan te geven wat we bijvoorbeeld in het restaurant willen drinken:

  • Quiero un coca-cola por favor – Ik wil een coca-cola alsjeblieft
  • Queremos una botella de vino – We willen een fles wijn

 

b . We kunnen het werkwoord querer ook gebruiken om een plan door te geven, iets wat we willen gaan doen:

  • Quiero terminar mis estudios este año – Ik wil dit jaar afstuderen
  • Queremos ver la ciudad – We willen de stad zien

 

c . Ook om te vertellen van wie we houden: hier moeten we opletten want als we querer gebruiken als ervan houden krijgt het werkwoord altijd het voorzetsel a

  • Mi vecina quiere mucho a su perro – Mi buurvrouw houdt heel veel van haar hond.
  • Nosotros queremos a nuestros hijos – We houden van onze kinderen.

 

d . We kunnen het ook gebruiken om een aanbod te doen:

  • ¿Quieres café o té? – Wil je koffie of thee?
  • ¿Quieres ir al cine conmigo? – wil je mee naar de bios?

 

e . We kunnen het ook gebruiken om verzoeken te uiten: deze Spaanse manier om te praten kan raar overkomen maar het is gewoon een nette manier om iets te verzoeken.

  • Quiero hablar con el director de la empresa – ik wil met de directeur van het bedrijf praten.
  • Queremos una copia de este documento – we willen een kopie van dit document.

 

f . We kunnen het ook gebruiken met een heel werkwoord achter. Om aan te geven wat we van plan zijn of wat we wensen:

  • Quieren bailar esta noche – Zij willen dansen vanavond.
  • Mi hermano quiere ser médico – Mijn broer wil arts worden.

 

3.2. Los pronombres interrogativos – Vragende voornaamwoorden.

 

Net als het  Nederlands gebruiken we in het Spaans de vragende voornaamwoorden om iets te vragen. We hebben ook heel veel in het Spaans. We gaan nu de meest voorkomende doornemen.

 

 

a . Qué – wat/welke

Het vragend voornaamwoord qué verandert niet, is altijd qué voor alle vormen (mannelijk-vrouwelijk, enkelvoud-meervoud). We kunnen het niet gebruiken voor personen:

  • ¿Qué es esto? – Wat is dit?
  • ¿Qué color te gusta? – Welke kleur vind je leuk?

 

b . Quién/quiénes – wie

De voornaamwoorden quién en quiénes kunnen we alleen gebruiken om over mensen iets te vragen. Quién is enkelvoud en quiénes meervoud:

  • ¿Quién es? – wie is er?
  • ¿Quiénes son tus padres? – wie zijn jouw ouders?

 

 

c . Cuál/cuáles – welke

Cuál en cuáles kunnen we gebruiken om vragen te stellen over personen, dieren en voorwerpen. Verandert alleen enkelvoud (cuál) – meervoud (cuáles):

  • ¿Cuál es tu coche? – Welke auto is van jou?
  • ¿Cuáles son nuestras bebidas? – welke drankjes zijn van ons?

 

 

d . Cómo – hoe

Verandert niet en is altijd hoe, we gebruiken het net als in het Nederlands.

  • ¿Cómo te llamas? – Hoe heet je?
  • ¿Cómo vas a la escuela? – Hoe ga je naar school?
  • ¿Cómo hacéis esa tarta? – Hoe maken jullie die taart?

 

 

e . Dónde – waar

Verandert niet en is altijd dónde. Wordt gebruikt net als in het Nederlands om te vragen naar de plek waar iets gebeurt of ligt.

  • ¿Dónde es la fiesta? – Waar is het feest?
  • ¿Dónde están mis amigas? – waar zijn mijn vriendinnen?

 

 

f . Cuándo – wanneer

Verandert noot, we gebruiken cuándo om te vragen wanneer iets plaats vindt:

  • ¿Cuándo vienes? – Wanneer kom je?
  • ¿Cuándo llegan tus padres? – Wanner komen je ouders aan?

 

 

g . Cuánto – hoeveel


Cuánto wordt gebruikt om over aantallen of hoeveelheden te vragen. Dit vragend voornaamwoord verandert wel, zowel mannelijk- vrouwelijk als enkelvoud- meervoud.

  • ¿Cuánto cuesta? – Hoeveel kost het?
  • ¿Cuánta fruta hay? – Hoeveel fruit is er?
  • ¿Cuántos hijos tienes? – Hoeveel kinderen heb je?
  • ¿Cuántas mesas hay en la clase? – Hoeveel tafels zijn er in het lokaal?

 

 

h . Por qué – waarom

Verandert nooit, wordt gebruikt om de reden ergens van te vragen:

  • ¿Por qué no llamas a la puerta antes de entrar? – Waarom klopt je niet aan de deur voordat je binnen loopt?
  • ¿Por qué estáis enfadadas? – Waarom zijn jullie boos?

 

 

i . Para qué – waarvoor

Verandert nooit, wordt gebruikt net als in het Nederlands:

  • ¿Para qué quieres eso? – Waar wil je dat voor?
  • ¿Para qué se usa? – Waar gebruik je het voor?