Hoofdstuk 1 (A2) – Module 1

1. La hora en español- de tijd in het Spaans

1.1 HOE LAAT SPREKEN WE AF:

Persoonlijke voornaamwoorden
Pronombres personales
Quedar
Ik - yo Quedo
Tú - jij Quedas
Él - hij
ella - zij
usted - u
Queda
Nosotros / as - wij Quedamos
Vosotros / as - jullie Quedáis
Ellos/ellas - zij
ustedes - * u m. meervoud
Quedan

¿A qué hora quedamos?

Quedamos a las tres

Hoe laat spreken we af?

We spreken af om drie uur.

Hierbij zeg je de tijd zoals in het schema alleen vervangt je son/es met a

OPENINGSTIJDEN

Om de openingstijden aan te geven kunnen we kiezen om hele zinnen erover te maken:

La tienda abre a las nueve y cierra a las seis y media

De winkel opent om negen uur en sluit om half zeven

Of we kunnen ook de openingstijden in telegramstijl zetten zoals, bijvoorbeeld, de supermarkten:

De 9.00 a 18.30 De nueve a seis y media

Van 9.00 tot 18.30                Van negen tot half zeven

Ser, estar y hay- zijn, zijn/zich bevinden en er is/er zijn

De werkwoorden ser, estar en hay zijn drie van de meest belangrijke werkwoorden in het Spaans en alle drie zijn speciaal. Ser en estar zijn onregelmatig. Je ziet hieronder een regelmatig werkwoord van de ER vervoeging naast ser en nog een van de AR vervoeging naast estar.

In het zwart zie je de stam, in het rood de regelmatige vervoegingen en in het groen de onregelmatigheden.

Persoonlijke voornaamwoorden - Pronombres personales Beber (drinken)
Ser Trabajar (werken) Estar
Yo - ik
Bebo
Soy
Trabajo
Estoy
Tú - jij
Bebes
Eres
Trabajas
Estás
Hij / Zij / u - él / ella / usted
Bebe
Es
Trabaja
Está
Nosotros/as - wij
Bebemos
Somos
Trabajamos
Estamos
Vosotros/as - jullie
Bebéis
Sois
Trabajáis
Estáis
Ellos/as / ustedes - zij / u
Beben
Son
Trabajan
Están

* u m. staat voor u meervoud, in het Spaans kennen we een formele meervoudige vorm

Hay staat niet in het schema, hay is altijd hay. Het wordt niet vervoegd en verandert niet.

Usos de ser (zijn):

  1. We gebruiken het werkwoord ser om iets te beschrijven. Ook om te vertellen welke maat iets heeft of van welke materiaal iets gemaakt is. Dit zijn allemaal vaste eigenschappen.

  2. Om te vertellen waar iets of iemand vandaan komt, dan wordt het werkwoord ser gebruikt in combinatie met het voorzetsel de.

  3. We gebruiken het ook om over beroepen of nationaliteiten te praten.

  4. Ser wordt ook gebruikt om te vertellen hoe laat het is.

  5. We gebruiken het ook voor onpersoonlijke uitdrukkingen. Voorbeelden:

Es interesante visitar París. (Het interessant om Parijs te bezoeken.)

Usos de estar (zijn of zich bevinden):

  1. We gebruiken estar o te praten over plaatsaanduiding. Dan betekent eigenlijk zich bevinden.

  2. Ook om te praten over emoties of tijdelijke toestanden.

  3. We gebruiken het ook om te praten over hoe het gaat.

Usos de hay (er is of er zijn):

  1. Hay wordt gebruikt wanneer het onderwerp onbepaald is.

Otros verbos irregulares-andere onregelmatige werkwoorden

Hier het schema met andere onregelmatige werkwoorden, deze hebben we in hoofdstuk 3 van het niveau A1 behandeld. Neemt het even door ter herhaling. Zoals gewoonlijk staat de stam in het zwart, in het groen de onregelmatigheden en in het rood de uitgangen.

Persoonlijke voornaamwoorden Pronombres personales
Querer
Poder
Saber Ir Tener Hacer
Ik - yo
Quiero
Puedo
voy
Tengo
Hago
Tú - jij
Quieres
Puedes
Sabes
Vas
Tienes
Haces
El - hij; Ella - zij; Usted - u
Quiere
Puede
Sabe
Va
Tiene
Hace
Nosotros/as - wij
Queremos
Podemos
Sabemos
Vamos
Tenemos
Hacemos
Vosotros/as - jullie
Queréis
Podéis
Sabéis
Váis
Tenéis
Hacéis
Ellos - zij m; Ellas - zij v;
Ustedes - u mervoud
Quieren
Pueden
Saben
Van
Tienen
Hacen

Mi rutina diaria- mijn dagelijkse routine

Hieronder de werkwoorden dat wij behandeld hebben in hoofdstuk 4 ter herhaling.

De vormen van zich staan in het paars, de stammen in het zwart, de onregelmatigheden in het groen en de uitgangen in het rood.

Persoonlijke voornaamwoorden Pronombres personales Despertarse Levantarse Ducharse Cepillarse Afeitarse
Yo - ik
Me despierto
Me levanto
Me ducho
Me cepillo
Me afeito
Tú - jij Te despiertas Te levantas Te duchas Te cepillas Te afeitas
Él - hij
Ella - zij
Usted - u
Se despierta
Se levanta
Se ducha
Se cepilla
Se afeita
Nosotros-as - wij
Nos despertamos
Nos levantamos
Nos duchamos
Nos cepillamos
Nos afeitamos
Vosotros-as - jullie
Os despiertáis
Os levantáis
Os ducháis
Os cepilláis
Os afeitáis
Ellos - zij m
Ellas- zij v
Ustedes - u mervoud
Se despiertan
Se levantan
Se duchan
Se cepillan
Se afeitan
Persoonlijke voornaamwoorden Pronombres personales Maquillarse Desayunar Ir Trabajar Estudiar
Yo - ik
Se maquilla
Desayuno
Voy
Trabajo
Estudio
Tú - jij
Te maquillas
Desayunas
Vas
Trabajas
Estudias
El - hij; Ella - zij; Usted - u
Se maquilla
Desayuna
Va
Trabaja
Estudia
Nosotros/as - wij
Nos maquillamos
Desayunamos
Vamos
Trabajamos
Estudiamos
Vosotros/as - jullie
Os maquilláis
Desayunáis
Váis
Trabajáis
Estudiáis
Ellos - zij m; Ellas - zij v;
Ustedes - u mervoud
Se maquillan
Desayunan
Van
Trabajan
Estudian
Persoonlijke voornaamwoorden - Pronombres personales Comer Cenar Acostarse Dormirse
Yo - ik
Como
Ceno
Me acuesto
Me duermo
Tú - jij
Comes
Cenas
Te acuestas
Te duermes
El - hij; Ella - zij; Usted - u
Come
Cena
Se acuesta
Se duerme
Nosotros/as - wij
Comemos
Cenamos
Nos acostamos
Nos dormimos
Vosotros/as - jullie
Coméis
Cenáis
Os acostáis
Os dormís
Ellos - zij m; Ellas - zij v;
Ustedes - u mervoud
Comen
Cenan
Van acuestan
Se duermen

El verbo ir- het werkwoord gaan

                                                 Ir: gaan

Yo                                               voy                             a comer

Tú                                               vas                             a dormir

Él, ella, usted                             va                               a cruzar la calle

Nosotros/ as                              vamos                       a estudiar

Vosotros/ as                              vais                            a cantar

Ellos/ as                                     van                            a trabajar

Las profesiones: de beroepen

Het werkwoord ser wordt gebruikt voor zaken die te maken hebben met identiteit, zoals: nationaliteit, geslacht, beroep en afkomst.

De vervoeging van het werkwoord ser.

Describir personas: los verbos llevar, tener y ser- mensen beschrijven: werkwoorden dragen, hebben en zijn

Hieronder de drie werkwoorden te herhaling. Llevar gebruiken we om te vertellen wat iemand aan heeft. Tener de bezittingen van iemand maar ook dat diegene bruine ogen of lang haar heeft, bijvoorbeeld. Zijn wordt gebruikt voor vaste eigenschappen, nationaliteiten, beroepen

Español Neerlandés
1. El padre
De vader
2. La madre
De moeder
3. Los padres
De ouders
4. El hermano
De broer
5. La hermana
De zus
6. Los hermanos
De broers en de zussen
7. El tío
De oom
8. La tía
De tante
9. Los tios
De ooms an de tantes
10. El primo
De neef
11. La prima
De nicht
12. Los primos
De neven an de nichten
13. El abuelo
De opa
14. La abuela
De oma
15. Los abuelos
De grootouders
16. La nuera
De schoondochter
17. El yerno
De schoonzoon
18. El cuñado
De zwager
19. La cuñada
De schoonzus
20. Los cuñados
De zwagers en de schoozussen

La familia-de familie

Los Pronombres Posesivos/ De bezittelijke voornaamwoorden

In het Spaans het bezittelijk voornaamwoord richt zich in getal en geslacht naar het bezit en niet naar de bezitter.

Los Pronombres Posesivos / De bezittelijke voornaamwoorden Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud Mannelijk meervoud Vrouwelijk meevoud
Mijn
Mi
Mi
Mis
Mis
Jouw
Tu
Tu
Tus
Tus
Zijn
Su
Su
Sus
Sus
Haar
Su
Su
Sus
Sus
Ons
Nuestro
Nuestra
Nuestros
Nuestras
Jullie
Vuestro
Vuestra
Vuestros
Vuestras
Hun
Su
Su
Sus
Sus

La casa

Vocabulario

Español Neerlandés
La habitación/el cuarto/el dorimitorio
De slapkamer
El cuarto de baño
De badkamer
El salón
De woonkamer
El comedor
De eetkamer
La cocina
De keuken
El pasillo
De hang
El recibidor
De hal
La terraza
Het terras
El estudio
De studiekamer
El jardín
De tuin
El ático/el desván
De zolder
El sótano
De kelder
El garage
De garage
Las escaleras
De trap
El balcón
Het balkon
La puerta
De deur
La ventana
Het raam